Hoe logopedie helpt bij articulatieproblemen
Voor veel kinderen verloopt het leren praten vanzelf. In de eerste levensjaren ontwikkelen zij zich van brabbelen naar woorden en uiteindelijk naar volledige zinnen. Toch verloopt deze ontwikkeling niet bij ieder kind probleemloos. Sommige kinderen hebben moeite met het correct uitspreken van klanken. Daardoor kunnen anderen hen minder goed verstaan. Dit kan frustrerend zijn voor het kind en het kan communicatie met anderen moeilijker maken.
Spraakproblemen kunnen verschillende oorzaken hebben. Soms ligt het probleem in de uitvoering van spraakbewegingen. Het kan ook te maken hebben met hoe een kind klanken in de taal begrijpt en gebruikt. Daarnaast kunnen andere factoren de spraak beïnvloeden, zoals gehoorproblemen, afwijkingen in de mond of afwijkende mondgewoonten. Voorbeelden hiervan zijn duimzuigen, langdurig speengebruik, door de mond ademen of verkeerd slikken. Omdat de oorzaken verschillend kunnen zijn, is goede diagnostiek essentieel. Logopedisten spelen hierin een grote rol. Zij onderzoeken hoe de spraak van een kind zich ontwikkelt en bepalen welke behandeling het beste past.
Spraakproblemen kunnen worden verdeeld in motorische en fonologische problemen. Motorische spraakproblemen hebben te maken met de bewegingen die nodig zijn om te praten. Het kind week vaak welke klank het wil produceren, maar heeft moeite met het correct aansturen van de mond, tong, lippen of kaak. Logopedisten behandelen dit vaak met articulatietherapie. Bij articulatietherapie wordt geoefend met het aansturen van de spraakspieren. Daarbij gebruikt de logopedist vaak visuele (bijvoorbeeld voordoen of spiegels) en tactiele prikkels (zoals het aanraken of sturen) om te laten zien en voelen hoe een klank gemaakt wordt. Het doel is de coördinatie van de spraakbewegingen te verbeteren zodat klanken en woorden beter verstaanbaar worden.
Fonologische spraakproblemen hebben een andere oorzaak. Hierbij gaat het niet om de bewegingen van de mond, maar om hoe een kind klanken in woorden gebruikt. Sommige kinderen vereenvoudigen woorden door klanken te vervangen of weg te laten. Een kind kan bijvoorbeeld ¨tat¨ zeggen in plaats van ¨kat¨. Wanneer dit op latere leeftijd nog gebeurt, kan dat de verstaanbaarheid verminderen. Bij deze problemen helpt een logopedist het kind om verschillen tussen klanken beter te horen en te gebruiken. Dit gebeurt bijvoorbeeld door te oefenen met woorden die bijna hetzelfde zijn, zoals ¨bok¨ en ¨bot¨. Zo leert het kind dat een kleine verandering in een klank een ander woord kan betekenen. Soms worden ook verschillende klanken of klankpatronen afwisselend geoefend, zodat het kind stap voor stap het klanksysteem van de taal beter leert gebruiken.
Dit artikel is geschreven door: Amela Ahmetović, logopedist
